Postbezorging in 1664
Bron: onduidelijk
Over Jacob Quack bestaat er de volgende pagina:
Jacob Quack Postmeester in Rotterdam
Jacob Quack trekt huiverend zijn doorweekte wollen mantel nog eens om zich heen en kijkt naar de regenachtige lucht en de grijze golven die tegen de dijk uiteenspatten. Hij zucht, maar geeft dan zijn paard de sporen en rijdt de dijk van de Oranjepolder af over de zompige gorzen. Hij stuurt zijn rijdier in de richting van het woelige water van de laagstaande rivier en beiden zijn tot het middel doorweekt eer zij de kleine jol bereiken die ligt te dansen in de branding.
Jacob neemt de belangrijke scheepspapieren in ontvangst die behoren bij het schip dat verderop in de Maasmonding voor anker ligt en bij deze wind niet kan binnenlopen. Hiermee zal hij als de weerlicht over de dijk naar Rotterdam moeten rijden zodat de eigenaren deze handel alvast op de beurs kunnen brengen. Hij heeft ook een pakket brieven bij zich, die hij overhandigt aan de scheepsmaat.
Sommige zijn voor zeelieden aan boord van de schepen die op de rede liggen, sommige zijn voor andere schepen en zullen later op de rede van Engeland weer overgedragen worden aan wellicht een andere postmeester. De brieven voor de zeelieden zijn vele maanden en soms jaren onderweg en het is altijd onzeker of zij hun bestemming zullen bereiken.
Posterijen in de 17e eeuw
Jacob Quack, postmeester van Rotterdam, begon omstreeks 1660 met de organisatie van een postdienst op Engeland en een “zeetijdingendienst” (de voorloper van Dirkzwager). In beide diensten speelde het Posthuis op de Oranjedijk een belangrijke rol.
Het bestuur van de stad Rotterdam stelde een commissie samen die toezicht moest houden op de posterijen. Jacob Quack werd in 1633 benoemd tot postmeester van Rotterdam. Hij rustte niet voordat hij alle post naar en van Engeland had geregeld, iets wat veel voeten in de aarde had, vooral tijdens de Engelse Oorlog.
De route van de postdienst liep van Rotterdam per postkar naar Maassluis en vervolgens naar het Posthuis op de Oranjedijk. Als de “postkar” bij het Posthuis op de Oranjedijk was aangekomen werd de post per “postiljon” (ruiter te paard) over de slikken en banken naar een jol gebracht die de post weer overdroeg aan de bemanning van het “postjacht”. Het “postjacht” bracht de post aan boord van Engelse schepen die, reeds met retourlading aan boord, op de rede lagen te wachten om naar Engeland te varen
Zeetijdingen
Vanaf het Posthuis werden signalen d.m.v. vlaggen doorgegeven aan de postiljon. De postiljon reed altijd over de Hoge Zeedijk via Maassluis, Vlaardingen en Schiedam naar Rotterdam. Hij vervulde ook een belangrijke rol in het overbrengen van de zeetijdingen. De schepen die voor de rede van Maassluis verschenen droegen deze belangrijke papieren over aan de postmeester en het was zaak deze zo snel mogelijk op de beurs in Rotterdam te krijgen. De schepen waren door ongunstige wind en getijden vaak niet in staat om snel de Maas op te varen naar hun bestemming, de handelsstad Rotterdam.
Het posthuis aan de Oranjedijk was tevens een boerderij waar ook van paard kon worden gewisseld. De keuze van die plaats was bepaald door het feit dat de vaargeul van Rotterdam naar zee daar heel dicht langs de Oranjedijk liep. Dat was ongeveer het punt waar nu het Spuidijkje op de Oranjedijk uitkomt. Thans staat daar nog een boerderij. Van zee komend passeerden de schepen hier dicht onder de wal om vervolgens naar Brielle over te steken.
Noot 1:
Volgens deze bron zou het om het huidige adres Oranjedijk 161, Hoek van Holland gaan. Andere bronnen vertellen dat het posthuis op de hoek van de Oranjedijk – Pettendijk heeft gestaan. In beide gevallen werd de post via kreken bij vloed richting de maasmond gevaren.
Proviandering
Een andere activiteit werd ontwikkeld tijdens de Engelse Oorlogen. De gezamenlijke Hollandse en Zeeuwse vloten lagen dan dagen, soms weken, te wachten op goed weer om de Engelse vloot te kunnen aanvallen. Ook was de rede voor Brielle door de vlootvoogden uitgekozen om de schepen te repareren en te provianderen. Vermoedelijk vanwege de vriendschap tussen Jacob Quack en Cornelis de Witt, de raadpensionaris, kreeg Jacob Quack de opdracht om de communicatie te verzorgen tussen wal en vloot. Maar ook de proviandering, aflossing en het ziekenvervoer van en naar de schepen behoorde tot zijn taak. Er zijn aanwijzingen dat de Maassluise middenstand hier ook wel bij voer.
In 1665 vervaardigde Joost van Geel deze postkaart, waarvoor hij alle tekeningen heeft gemaakt en geëtst. Joachim Oudaen schreef de teksten. Geldschieter was koopman Cornelis Grave. De kaart bestaat uit een nauwkeurige weergave van de Maasmonding met vaargeulen en ondiepten.
Deze kaart vertelt ons heel veel over de werkzaamheden van de posterijen in 1664, over de scheepstypen die gebruikt werden, over de taak van de postmeester, het belang van de scheepstijdingen voor de handel op de Rotterdamse beurs, de taken van de postmeester en de belangrijke plaats die Maassluis in dit hele traject innam.
Foto : Rijksmuseum

Foto : Rijksmuseum
Noot 2:
Het lijkt er op dat de kaart van de monding van de Maas ouder is dan 1665. In die tijd was de Oranjepolder al aangelegd en was de loop van de ‘Grote Rel’ ook anders.
Noot 3:
Op een kaart van Cruquius (1712) komt een opmerkelijk object voor, net voor de uitmonding van de Grote Rel in de Maas. Niet zeker is of dit te maken heeft met het voormalige posthuis. Als de tekening van Joost van Geel van het huis landschappelijk correct is moet het posthuis kort aan de waterkant hebben gestaan.

In de Canon van Nederland is ook nog een lemma gewijd aan postbezorging van Quack en Dirkzwager.
‘Het postjacht van Jacob Quack zeilde heen en weer met brieven en orders. Uitgaande brieven bracht het postjacht naar een schip dat naar Engeland voer. Binnenkomende post en informatie over lading ging naar het Posthuis op de Oranjedijk. Vanaf daar ging de postiljon te paard met de post op weg over de Hooge Zeedijk via Maassluis naar Rotterdam, naar de reders op de beurs.’

