HET NIEUWLAND GENAAMD DEN ANDEL
1414-1868
door MR. J. H. DE VEY MESTDAGH
Introductie
Nu het reservaat en recreatiegebied de Beer, gelegen op de kop van Rozenburg ten zuiden van de monding van de Nieuwe Waterweg, door het europoortplan in de volle belangstelling is komen te liggen, is dit een welkome gelegenheid ook eens het licht te laten schijnen op de wording en ontwikkeling van een ander, juist tegenover de Beer aan de noordzijde van de Waterweg onder Hoek van Holland gelegen gebied, namelijk „Het Nieuwland genaamd den Andel”, en dit te meer daar het, voor de totstandkoming van de Waterweg, met de Beer één geheel vormde.
Ook het gedenkwaardige feit, dat voor honderd jaar Pieter Caland, geïnspireerd niet alleen door zijn praktijk aan de Clydemond voor Glasgow, maar ook door de reeds door landmeter Nicolaas Cruquius in de 18de eeuw geprojecteerde doorgraving van de Nieuwlandse gorzen en de Beer, het denkbeeld ontwikkelde de Nieuwe Maas in open verbinding te brengen met de zee en zodoende de scheepvaart op Rotterdam de zo hoognodige ruimte en diepte te geven met behulp van de krachten van de getijdenstroom, waardoor het Nieuwland, evenals in de middeleeuwen, weer aan open vaarwater kwam te liggen, geeft daartoe een gerede aanleiding.
Begin van de jaartelling
Op de plaats waar thans de Beer, de Waterweg en de polders onder ‘s Gravenzande, waaronder het Nieuwland, zijn gelegen, drong in het begin van onze jaartelling een breed zeegat, het Romeinse „Helinium”, diep landwaarts in. Het strekte zich waarschijnlijk uit van de tegenwoordige oostpunt van Rozenburg tot de Noordzee over grote breedte tussen het vaste land van ZuidHolland en de eilanden Voorne en Putten, en vormde één der drie voornaamste Rijnmonden, waarin ook een groot deel van het Maaswater werd afgevoerd.
In latere jaren werd deze breede zeeboezem met inbegrip van de tegenwoordige Oude Maas „Die Maeze” genoemd. Gaandeweg ontwikkelde zich langs zijn oevers een aantal steden en dorpen. Vlaardingen als oudste der Hollandse steden bestond reeds, toen in 1015 Dordrecht werd gesticht. De 13de eeuw zag aan de rechteroever ‘s-Gravenzande ontstaan, waar voorheen een zeer goede haven moet geweest zijn, welke met den tijd verland is, en daartegenover ter linkerzijde Brielle.
Eerste vermelding ‘Den Andel’
Echter niet alleen aan de oevers maar ook in het daartussen gelegen water voltrokken zich voortdurend veranderingen. Er doken zandplaten op en langs de oevers vormden zich uitgebreide gorslanden, door welker bedijking bijvoorbeeld Delfland zijn gebied steeds verder zuidwaarts wist uit te breiden. Het gereedkomen van de nieuwe Delflandse Dijk langs de Maas ten zuiden van ‘s-Gravenzande gedurende de tweede helft van de 13de eeuw, waarmede het territoir van Delfland naar deze zijde zijn definitieve begrenzing vond, betekende echter nog geenszins het einde van de aanwas van buitenwaardse gronden 4). Zo wordt in een akte van 1322 melding gemaakt van onder ‘s-Gravenzande tussen de Delflandse Dijk en de Maas gelegen gorzen, genaamd „Den Grooten Andel”. Met deze oudst bekende vermelding van wat later „Het Nieuwland genaamd den Andel” zou heten, vangt dan tevens zijn geschiedenis aan.
Ten aanzien van oorsprong en betekenis van de benaming „Den Andel” ontbreekt iedere zekerheid. Enkele afwijkende schrijfwijzen geven echter aanleiding tot de volgende veronderstellingen. Daar is dan in de eerste plaats die van „Den Ang(h)el” 6). Deze schrijfwijze zou kunnen wijzen op het ontstaan van dit land in de vorm van een angel of haak, hetgeen een wel vaker gebruikt woord is voor zandbank. Nog liggen bij Texel de Noorder en Zuider Haak. Dat bankvorming en een daarmede corresponderende benaming ook in de directe omgeving van den Andel niet uitzonderlijk zijn, blijkt wel uit de benamingen van aan weerszijden daarvan gelegen gronden, respectievelijk de Banck en de Haak geheten. Er is nog een andere herhaaldelijk voorkomende schrijfwijze, namelijk „Den Andeel”, die erop zou kunnen duiden, dat den Andel het aan één of meer aangelanden toekomende aandeel was in de onder ‘s-Gravenzande buitendijks gelegen aanwassen.
Blijkens genoemde akte van 1322 behoorde den Andel oorspronkelijk toe aan Graaf Willem III. In 1328 beleende hij Gerard, heer van Voorne, burggraaf van Zeeland, ermede. Reeds eerder hadden de Voorne’s benoorden de Maas in het Westland een uitgebreid bezit verkregen, waaruit hun bloedverwanten, de heren van Naaldwijk en van der Woert, gegoed werden. Van deze laatsten komen we in de eerder genoemde akte van 1322 reeds Willem van der Woert tegen, die op den Andel gerechtigd was tot „vogelrij”.
Eigendommen
De achtergronden van de belening van 1328 worden ons duidelijk wanneer men leest dat in dat jaar de Westlandse bezittingen der Voorne’s aanmerkelijk werden uitgebreid, doordat Gerard van Voorne en zijn zoon Aelbrecht zich verplicht hadden de som van 600 pond Hollands, die de Graaf hun betaald had als afkoop der hun toekomende vervallen (= emolumenten) van Zeeland, in Holland te zullen beleggen, waardoor zij goederen en rechten onder ‘s-Gravenzande en in Maasland, Monster, Rijswijk, Warmond, Noordwijk en Zwammerdam verwierven.
Nadat Gerard van Voorne’s dochter Machteld in 1372 was overleden, komt den Andel aan het Kapittel van Sint Marie in de Hofkapel in Den Haag, dat bovendien reeds in 1367 bij zijn stichting door Albrecht van Beyeren en zijn vrouw Margaretha was begiftigd met andere buitendijkse gronden onder ‘s-Gravenzande, waaronder de Banck en de Zijp.
In 1371 had intussen de eerste bedijkingsuitgifte van den Andel plaats gevonden. In dat jaar had namelijk Machteld van Voorne den Andel voor den duur van haar leven aan Willem van Naaldwijk verpacht om „daar sine wille mede te doen ende te bedikene tot enen corenlande na sinen genoege” tegen een jaarlijkse betaling van 300 schilden. Na de dood van Machteld van Voorne handhaafde het inmiddels eigenaar van den Andel geworden Kapittel van Sint Marie Willem van Naaldwijk als pachter, nadat het hem reeds in 1371 ook de Banck en de Zijp, eveneens voor 300 schilden ‘s jaars, in pacht had gegeven.
Nieuwland
Zo waren dan in handen van het Kapittel van Sint Marie in Den Haag onder meer verenigd den Andel, de Banck en de Zijp, een combinatie van buitendijkse gorzen en uitlanden, die Willem van Naaldwijk vooreerst nog in pacht zou houden en later het Nieuwland zouden uitmaken. Mogelijk omdat hij de bedijking nog steeds niet ter hand had genomen en daarmede de voorwaarde, waaronder hij den Andel in pacht hield, niet was nagekomen, of omdat hij nalatig was gebleven in de voldoening der verschuldigde pacht – misschien ook wel het laatste tengevolge van het eerste – besloot het Kapittel tenslotte de betreffende gorzen opnieuw ter bedijking uit te geven, nu aan zijn kanunnik Jan Gilliszoon van Wissenkerc, tevens deken van het Kapittel van Sint Pieter in de Noordmonsterkerk te Middelburg.
Deze tweede en laatste uitgifte kreeg haar beslag bij akte van 24 augustus 1414 en werd door Graaf Willem VI bij handvest van 5 maart 1415 bekrachtigd en vermeerderd met een aantal privilegiën wegens hem door genoemd Kapittel, Jan Gilliszoon van Wissenkerc en diens medebedijkers bewezen diensten.
De akte van uitgifte van 1414 en de confirmatie van 1415 vormen tezamen de fundatie waarop het Nieuwland zal rusten. In het kort komen de voornaamste bepalingen van beide akten op het volgende neer. Het Kapittel behoudt zich voor de eigendom van één der zeven binnendijkse kavels en het zevende deel van het uitgors dat buitendijks zal blijven, de tienden, de buitendijkse duinen en konijnen en vrijdom van polderlasten. De zes overige binnendijkse kavels en het zeszevende deel van het uitgors dat buitendijks zal blijven, vallen de bedijkers in eigendom toe. Zowel het bedijkte land als de daarbuiten gelegen uitgorzen zullen algehele vrijdom van lasten jegens de landsoverheid genieten. Een college van vijf meeste ingelanden krijgt naast schouw- en keurbevoegdheid het recht dijkgraaf en gezworenen aan te stellen. Voorts is nog van belang de bepaling dat de inwoners der nieuwe bedijking onder de jurisdictie van het schoutambt van ‘s-Gravenzande vallen en alle rechten en vrijheden van de poorters van die stad zullen genieten.
Ingelanden
Eén van de meest in het oog springende dezer bepalingen is wel de instelling bij de grafelijke confirmatie van een college van vijf meeste of hoofdingelanden, dit in afwijking van het in de akte van uitgifte bepaalde, dat alleen Jan Gilliszoon van Wissenkerc het recht heeft naar eigen willekeur dijkgraven en gezworenen of heemraden aan te stellen. Deze vijf meeste ingelanden vormen immers het hoogste bestuursorgaan en zijn in hun bestaan geheel onafhankelijk van het landsheerlijk gezag, terwijl ze bovendien nog gerechtigd zijn om als uitvoerend orgaan dijkgraaf en gezworenen te benoemen, welk recht van origine eigenlijk een landsheerlijk attribuut was, dat de Graaf in Holland meestal zoveel mogelijk in eigen hand hield. Een verklaring voor de verlening van dit bijzonder privilege, waarmede de Graaf een brokje overheidsgezag in particuliere handen overgaf, geeft de hierboven gememoreerde confirmatie-akte zelf, daar deze uitdrukkelijk vermeldt dat de privilegiën zijn gegeven wegens door het Kapittel, Jan Gilliszoon en diens mede bedijkers aan de Graaf bewezen diensten. Deze van het in Holland gebruikelijke stramien afwijkende bestuursinstelling zou er voorts op kunnen wijzen dat de Graaf hiertoe geïnspireerd is door Jan Gilliszoon van Wissenkerc, die blijkens zijn naam en zijn belangrijkste functie, nl. die van deken van Sint Pieter te Middelburg, uit Zeeland afkomstig is. Immers in Zeeland en de aangrenzende delen van Brabant was het een meer voorkomende gang van zaken, dat aan de bedijker en ingelanden het benoemingsrecht toekwam.
Verder verdient het nog bijzondere aandacht, dat de concessie zich niet beperkte tot het bedijkte land, maar dat ook de uitgorzen, die buitendijks zouden blijven, de bedijking volgden. De hierin in zekere zin reeds besloten tweedeligheid van het Nieuwland, gaf, zoals we nog nader zullen zien, in later tijd, na de cultivering der uitgorzen, aanleiding tot een vrijwel gescheiden beheer en leidde tenslotte in de 19de eeuw mede tot het uiteenvallen van het Nieuwland in twee geheel van elkaar onafhankelijke polders.
Er is echter ook nog een andere reden, waarom de concessie, voor zover zij spreekt over de buitendijks blijvende gorzen, onze bijzondere aandacht vraagt. We kunnen ons immers afvragen of dit recht op de aanwassen gelimiteerd of ongelimiteerd was.
Buitendijkse gorzen van Staelduinen
In de uitgifte-akte van 1414 wordt de concessie omschreven als het „uytgors bij Staeldunen mit alle sijne toebehooren metten grase ende uutengrase van dien”, terwijl het Kapittel zich voorbehoudt het „vrij zevende” benevens de eigendom van zijn buitendijkse duinen en konijnen. Moet nu de omschrijving „mit alle sijne toebehooren metten grase ende uutengrase” zo opgevat worden, dat dit alleen de toentertijd bestaande aanwas betreft of zijn hierin ook begrepen alle nog toekomstige aanwassen?
Dit punt heeft in de zeer langdurige geschillen tussen de Grafelijkheid en de Prins van Oranje als heer van Naeltwijck en ‘t Hondertlant enerzijds en het Nieuwland anderzijds (1589-1634), waarin ook Hugo de Groot nog van advies gediend heeft, een belangrijke rol gespeeld. De Grafelijkheid stelt zich op het standpunt dat „… opt velt (de Haak) t welck aldaer tegenwoerdelijck es geen regard genomen es ten tijde van de „uytgifte ende bedijckinge”, terwijl de hoofdingelanden van het Nieuwland naar voren brengen „dat d’ingelanden vant voorschreven Nieuwelandt van outs gecompeteert heeft recht van aenwasch”, hetgeen zij nader toelichten met de verklaring „dat tot Staelduynen daer omtrent gelegen in voortijden grote diepte ende scheepvaert plach te wesen” en dat het „water genaempt de Grote Rel geene kille ofte kreecke uuyter natuyre van outs geweest is, gelijck in andere gorssen ofte uuytenslijcken t opgeworpen water mette ebbe aflopende in de laechten, killen ofte kreecken plach te schuyren; maer is t selfde water de riviere van de Mase soo voren geseyt is selfs geweest, die aldaer haer cours was hebbende” .
Het geschil werd, nadat reeds bij akkoord van 1618 de Grafelijkheid van zijn gepretendeerde rechten op de uitgorzen afstand had gedaan ten behoeve van de Prins van Oranje, blijkens overeenkomst van 1634 beëindigd. In de overwegingen van deze overeenkomst nemen partijen op de stelling van het Nieuwland „dat in den jare 1414 haerluyder auteurs vercregen hadde in eygendomme omme te bedijcken seeckere uytgors genaemt den Andel gelegen bij Staelduynen mit alle sijne toebehooren metten grase ende uutengrase van dien, van de welcke deselve hare auteuren in den jare 1415 hadde ingedijct t voors. Nieulant ende dat in voortijden de Mase hadde geloopen nevens ofte voor den dijck van t Hondertlant, den Delfflantschen ende Nieulants dijck, ende dat daer in deselve Mase een sant ofte plate opgecomen sijnde annex d’uytergrase van t Nieuwlant, welck sant ofte plaete van tijt tot tijt vorder aengewasse ende suytoostelijck opgeschoten sijnde – tussen deselve santplate ofte nieuwen anwas ende een gedeelte van den ouden aenwas der voors. ingelanden mitsgaders van den gront van de Graeffelijckheyt ende van sijne hooghgemelte Exellentie was gebleeven een diep genaemt de Groote Relle, sulcx t selve alsnoch genaemt is, daer deur de schepen van t suytoosten quamen inseylen tot aen de Nieuwelantsen dijck alwaer een gehucht van huysen stont genaemt Staelduynen, welck diep bij mensen memorie noch soo wijt is geweest dat de schepen tot ontrent Staelduynen t gadt in conden laveren – sulcx dat d’selve aanwassen genaemt den Haeck aen haerluyder gront alleen aengewassen ende verheelt sijn als noch claerlijck te sien is, ende dat sijluyden ingelanden van allen tijden waren geweest ende noch sijn in rustige ende vreetsame possessie, soowel van de voors. Haeck als andere gorsen aen haren gront aengewassen… “
Er werd een grens vastgesteld volgens een lijn lopende over de gorzen bezuiden de Rel en „rayende… tot in het diep van de Mase toe” en de hoofdingelanden cedeerden en droegen over „alle t geene van t voors, gors en den Haeck suytoosten van de voors te stellen raye gelegen is, ende mede van alle t geene als noch … daer aen wassen mach” terwijl de Prins van Oranje toezegde „dat hij de voors. ingelanden in t besitten van de vordere gorsen aen t voors. Nieuwlant aengewassen ongemolesteert sal laten ende daerop niet meer pretenderen, doende daernboven ten behouve van de voors. heeren ingelanden… afstant ende cessie… van alle t recht ende actie dat d’selve sijne Princelijcke Exellentie mochte hebben uut crachte van t voors. accoort met de Graeffelijckheyt tot allen t geene van t voors. gors den Haeck gelegen is over de voors. Groote Relle noortwert van de voors nu te stellen raye…”.
Recht van aanwas
Welke beginselen t.a.v. het recht van aanwas liggen nu in het bovenstaande besloten? In Holland gold als regel dat het recht op aanwas in ‘t algemeen de Grafelijkheid toekwam. Echter ook particulieren konden dat recht bezitten als uit speciale titels of anderszins, waaronder ook bewijzen van uitgifte tot de stroom, m.a.w. van ongelimiteerde landen met hun aanwassen, dat recht kon blijken. Deze beperking op het recht van de Grafelijkheid is terug te voeren op een receptie van de regel van het Romeinse recht, dat de eigenaars van landen, die niet met vaste grenzen of bepaalde grootte (ad mensuram) waren uitgegeven, maar gronden waren met natuurlijke grenzen als stromen, bergen enz. (agri arcifinii) – het ius alluvionis, dit is het recht van aanwas, hadden. Het is nu juist hierop, dat de hoofdingelanden van het Nieuwland hun recht op de later in de Maas opgekomen aanwassen baseerden, wanneer zij stellen dat bij de akte van uitgifte van 1414 hun eigendomsrechten zijn toegevallen op den Andel „mit alle sijne toebehooren mette grase ende uutengrase van dien” en waarlangs als natuurlijke grens „in voortijden de Mase hadde geloopen… “. Zij vonden bovendien voor hun stelling ook nog steun bij Hugo de Groot, die in zijn Inleydinge tot de Hollandsche Rechtsgeleertheyt vermeldt dat „Tot voordeel van de ingelanden van de Maeskant… in oude tijden (is) verstaen dat zij mogten behouden de aanwassen buyten dijks aengeworpen voor hare landen”.
Gezien het akkoord van 1634 en de daarin opgenomen overwegingen, is tenslotte deze opvatting door alle partijen aanvaard, zodat het Nieuwland ook in de toekomst verzekerd kon zijn van de „rustige ende vreetsamen possessie, soowel van de voors. Haeck als andere gorsen aen haren gront aengewassen”, althans tot 1866 toe, toen de ten zuiden van de Haeck en de Noordbonnen aangewassen gorzen, de Zekken genaamd, ten behoeve van de aanleg van de Nieuwe Waterweg door de Staat zijn onteigend.
BEDIJKING
Dat de bedijking van den Andel in een vlot tempo is uitgevoerd, komt duidelijk tot uiting, wanneer men de verklaring van Jan Gilliszoon van Wissenkerc in de akte van uitgifte van 1414, dat hij „aengenomen hebbe dat uutghers voirseid te diken jeghens den zomer naestcomende”, vergelijkt met de verklaringen van enkele bedijkers. Zo verklaart Mr. Jacob Symon Vredericksz., kanunnik van het Kapittel van Sint Marie, bij akte van 1 maart 1416, dat hij heeft verkocht „die rechte helft van sijnen lande, dat hi bedijct heeft in den ambocht van s-Gravensande in des capittels lant van der canozie in den Hage” en zijn medekanunnik Pieter Jacobsz. bij akte van 24 juni 1417, dat hij heeft verkocht „sult lant ende renten mit sijnen toebehoren als ic leggende hadde in den nuwen lande buten s-Gravensande dat t Capittel van der Hage dair uutgegeven heeft te bedijcken alsoe groot en alsoe cleyn als ict dair bedijct hadde ende nu ter tijt geit twalef ende een halven gouden Engelschen nobels tjaars”. In dit verband is ook opmerkenswaard een akte van 26 september 1418 32), waarbij Jacoba van Beyeren de inwoners van het ambacht ‘s-Gravenzande, die in datzelfde jaar door de Briellenaren zijn gebrandschat, vergunt in geval van nood „dat Nuwelant gelegen buten den ouden Maisdijck” te inunderen met behulp van de sluizen.
Aan de hand van deze gegevens kan men allereerst vaststellen dat ten tijde van de uitgifte in augustus 1414 de gorzen van den Andes ten aanzien van de waterlijn zo gunstig waren komen te liggen dat de bedijkers kans meenden te zien de bedijking in één seizoen uit te voeren en voorts dat de bedijkingswerken kennelijk in en omtrent de zomer van 1415 werden uitgevoerd. Immers nog in de daaropvolgende winter is er al sprake van de verkoop van binnendijks gelegen gronden, waaruit in 1417 reeds opbrengsten genoten werden. Men mag derhalve aanemen dat de bedijking met de daarbij behorende sluizen nog in het jaar 1415 is voltooid.
Verder blijkt uit de beide genoemde verkoopakten, dat de activiteit van het Kapittel van Sint Marie niet beperkt is gebleven tot de uitgifte, maar dat behalve Jan Gilliszoon van Wissenkerc ook nog verscheidene andere kanunniken daadwerkelijk een belangrijk aandeel in de bedijking hebben genomen. Ook blijkt het vooraanstaande ‘s-Gravenzandse geslacht van Gheryt Floryszoon, wiens zoon Aernt schout van ‘s-Gravenzande was, tussen 1419 en 1460 een hele reeks landpercelen in het Nieuwland te bezitten , hetgeen een gerede aanwijzing is dat ook ingezetenen van ‘s-Gravenzande zich bij de bedijkingswerken niet onbetuigd hebben gelaten.
TERRITOIR
Sinds de bedijking van 1415 wordt het Nieuwlandse territoir onderscheiden in het bedijkte en het buitendijkse land. Duidelijkheidshalve noemt men in later tijd het eerste wel het Binnen-Nieuwland, het tweede het Buiten-Nieuwland en het gehele complex het Nieuwland genaamd den Andel.
HET BINNEN-NIEUWLAND
Ten noordoosten besloten door de Delflandse Maasdijk en de Noordlandse Dijk, ten zuidoosten en ten zuidwesten door de Nieuwlandse Dijk en ten noordwesten door de Banckdijk, loost zijn water, sinds 1580 na opmaling door de molen, door de Hilsluis op de tussen de Noordbonnen en de Haak gelegen Krimsloot, en vandaar door de Vloeigatsluis in de Maas.
HET BUITEN-NIEUWLAND
Valt moeilijker te omschrijven. Dit merkwaardige conglomeraat van verschillende los van elkaar gelegen gronden, vindt als zodanig, zoals we reeds zagen, zijn oorsprong in de dotaties aan het Kapittel van Sint Marie in Den Haag door de Graven van Holland en het in de fundatie-akten van het Nieuwland gegeven recht op de buitendijkse uitgorzen, en werd in later tijd door de eigenaars van het Nieuwland in onverdeelde eigendom afzonderlijk beheerd. Het bestond uit de Zijp, de Banck, de Heuvels, de Nieuwlandse Dijk en de aangewassen gronden tussen de Nieuwlandse Dijk en de Maas. De laatsten vallen weer in drie delen uiteen, nl. het Noordergors of Noordbonnen en de Haak of Zuidergors, van elkaar gescheiden door de Krimsloot, en de in de 17de en 18de eeuw ten zuiden daarvan opgekomen aanwassen, genaamd de Zekken.
DE ZIJP
Wordt omsloten door ten noodoosten de weg Terheide Monster, ten zuidoosten de Delflandse Slaperdijk en aan de andere zijden door de Kapittelduinen. Dat deze duinvallei een overblijfsel is van de Hei, een noordelijke Maasarm, die hierlangs zeewaarts stroomde, is allerminst verwonderlijk wanneer men weet, dat de naam Zijp betekent: doortocht van het water. HetplaatsjeTerheide zou zijn naam te danken hebben aan deze stroom, die in de loop van de 13de eeuw verzand en aan de zeezijde overstoven en met duin bezet is. Sinds 1544 watert de Zijp door Delflands Slaperdijk af op Delfland. In 1778 is hij verkocht.
DE BANCK
Ten zuidwesten van de Zijp gelegen, werd begrensd door ten zuidoosten de Delflandse Slaperdijk en de Noordlandse Dijk, ten zuiden de Banckdijk en aan de overige zijden door de Kapittelduinen. In het zuiden hing hij oorspronkelijk samen met de gorzen van den Andel en lag aan die zijde open voor vloedwater vanuit de Maasmond. In 1415 moet de Banck met de bedijking van den Andel van open water zijn afgesneden. De Banckdijk, die de Nieuwlandse- en Noordlandse Dijk met elkaar verbond, vormde op zijn beurt weer de waterkering tussen de Banck en het Binnen-Nieuwland. In deze dijk, die later nog uitstekende diensten zou bewijzen bij de bescherming van het BinnenNieuwland tegen door de Kapittelduinen in de Banck binnengedrongen zeewater, was een sluisje aangebracht, waardoor de Banck met de Bancksloot op het Binnen-Nieuwland afwaterde. Tezamen met de Kapittelduinen is dit land door de opdringende zee thans grotendeels verzwolgen. Slechts een klein gedeelte, achter de in 1844/5 opgeworpen Zanddijk gelegen, is er nog van over.
DE HEUVELS
Een smalle strook zandig land tussen de Nieuwlandse Dijk en Staalduinen, maakten oorspronkelijk deel uit van de om Staalduinen aangewassen gorzen. Naar aanleiding van een geschil tussen het Nieuwland en het Kapittel van Sint Marie – welks eigendommen zich ten zuidoosten van het Nieuwland uitstrekten – over de grens tussen beider gorzen, werd bij scheidsrechterlijke beschikking van 1421 aan het oosteinde van de Nieuwlandse gorzen, waaronder de Heuvels, een scheidslijn vastgesteld, gaande van een paal op de uiterste zuidhoek van de Nieuwlandse Dijk rechttoe rechtaan op de westvierboet (lichtbaken) van het land van Bonne (nu de Lange Bonnen). Deze lijn wordt in het midden onderbroken door Staalduinen. Ter hoogte van deze scheidslijn liep omstreeks 1449 vanaf de Nieuwlandse Dijk op Staalduinen aan het oude Papendijkje. Het zou zijn naam ontlenen aan het feit, dat daarlangs eertijds de monniken het „domus ecclesie de Heimont” (d.i. het Praemonstratenser-klooster de Lee) gingen ter waarneming van de dienst in de kapel op Staalduinen. De belangrijkste functie van dit dijkje zal echter wel geweest zijn om het ten oosten daarvan gelegen Voorgors (van het Kapittel van Sint Marie) te beschermen tegen wateroverlast vanuit de Heuvels, die aan de noordwestzijde dan nog open moeten hebben gestaan voor vloedwater vanuit de Maas. Omstreeks 1526 is het oude Papendijkje door storm vernield en door een nieuw wat meer westwaarts de Heuvels doorsnijdend dijkje vervangen.
De grenzen aan deze kant van het Nieuwland, door de gestadige aanwassen steeds in beweging, hebben later nog dikwijls, zoals hiervoor reeds werd verhaald, aanleiding tot geschillen gegeven met de eigenaars van Staalduinen en der aangrenzende aanwassen, waaronder de Prinsen van Oranje.
HET NOORDERGORS
Wordt omgrensd door ten noordoosten de Nieuwlandse Dijk, ten zuidoosten het Vloeigat, ten zuidwesten een smalle duinenrij langs de Maas en ten noordwesten de Kapittel- of Spanjaardsduinen, de latere Hoek van Holland. Het is in 1665/6 van sloten voorzien en met een dijk langs het Vloeigat van de Maas afgesloten. Het overtollige polderwater werd langs een aan de noordoostzijde gelegen sloot door een sluisje in genoemde dijk op het Vloeigat en de Maas geloosd. Het Noordergors, in 1665/6 dus definitief ingepolderd, wordt sindsdien ook wel de Noordbonnen (bon = omsloot perceel) genoemd. In 1715 zijn de Noordbonnen, die tot dan toe uitsluitend als grasland waren gebruikt, omgezet in bouwland, daar de veeweiderij door de grote in die jaren alom heersende sterfte onder het vee (de zgn. veepest) niet meer loonde.
DE HAAK OF ZUIDERGORS
Ook wel Pickenhil geheten, vindt zijn grenzen ten noordoosten in een gedeelte van de Nieuwlandse Dijk, Staalduinen en de Lange Bonnen, ten zuidoosten aanvankelijk in een ter hoogte van het tegenwoordige Oranjekanaal gefixeerde grenslijn, maar sinds 1845 nog wat zuidoostelijker door de aankoop van enige percelen land in het Oranjegors, ten zuidwesten in een smalle duinenrij langs de Maas en ten noordwesten in de Krimsloot en het Vloeigat. Het wordt in de lengte doorsneden door een noordwest-zuidoost kronkelende geul, de Grote Rel genaamd, die na haar weg nog door een gedeelte van het aangrenzende Oranjegors vervolgd te hebben, in het Amersgat op de Maas uitloopt. Vóór 1415 moet de Rel via de nog onbedijkte gorzen van den Andel tot diep in het noorden daarvan gelegen Noordland doorgelopen hebben. Het begin ervan is thans nog in deze laatste polder te vinden onder de naam de Kreek. In het Binnen-Nieuwland zijn met de bedijking en besloting de sporen van deze geul echter uitgewist. Via een doorlaat door de Noordlandse Dijk en het Binnen-Nieuwland staat de Noordlandse Kreek echter nog met de Grote Rel en de Maas in verbinding.
De aanwas tussen de Rel en Staalduinen, wordt, voor zover het ten noordwesten der in 1421 bepaalde scheidslijn is gelegen, ook wel Korte Bonnen genoemd. Hij kenmerkt zich door een ondiepe percelering, waar hij dan ook kennelijk zijn naam aan te danken heeft. Reeds zeer vroeg is er op deze hoogte sprake van bonnen. De hiervoor aangehaalde arbitrale beschikking van 1421 maakte immers al melding van „het land van Bonne”.
Blijkens een klaagschrift van de boeren van het Nieuwland zijn de ten zuidoosten van de scheidslijn van 1421 gelegen Lange Bonnen omstreeks 1718 bedijkt. Deze klagers vreesden dat de overlast van de konijnen uit Staalduinen „sekerlijk nogh meer toenemen sal als den dijk, door de Ed. Mog. Heeren van de Rekenkamer van de Graefgelijkheits Domainen tot bevrijdinge van haere bonnen en duynen aangelegt, voltoyt sal wesen”. De door deze Bonnendijk buitengesloten watervloeden hielden in het verleden nl. van tijd tot tijd flink huis onder de konijnen. De scheidslijn tussen het Zuider- en het Oranjegors kon, zoals gezegd, eerst na een zeer langdurig geschil, dat in 1589 was begonnen, bij vergelijk van 1634 worden vastgesteld.
Tussen de Rel en de duintjes langs de Maas is in de jaren 1595-1604 eveneens de besloting en percelering ter hand genomen, echter niet verder dan de wat hoger gelegen klei-afzetting langs de Rel reikte. De eigenlijke inpoldering van het Buiten-Nieuwland begon pas in 1776 en werd in 1778 voorlopig besloten met de overdijking van de evenwijdig aan de Maasoever lopende rij duintjes, die hun voortzetting vinden in de voor het Oranjegors gelegen duingronden. Een volkomen waterdicht geheel kon echter moeilijk worden bereikt, zolang Delfland weigerde een vergunning af te geven voor aansluiting van een langs de scheidslijn van 1634 geprojecteerde dijk op de Oranjedijk. Later, tijdens het hoofdingelandschap van Jacobus Jozephus baron van Ryckevorsel (1816-1841), althans vóór 1834, is iets meer zuidoostwaarts in de vorm van de Ryckevorselse Dijk toch nog een verbindingsdijk tussen voornoemde duingronden en de Oranjedijk tot stand gekomen. Voorts werd in 1778 ongeveer in het midden van de overdijkte duintjes de Haaksluis aangelegd en tussen deze sluis en de Rel een nieuw uitwateringskanaal gegraven. Tengevolge van deze voorziening bestond van Nieuwlandse zijde aan de Rel als afwatering, tenminste voor zover gelegen buiten de nieuwe Haakpolder, geen behoefte meer. Bovendien vormde deze kreek, die door middel van het Amersgat met de Maas correspondeerde, in geval van watersnood een gevaarlijke opening naar de zojuist zo goed mogelijk van het open water afgesloten polder. Men besloot derhalve de Rel aan de grens met het Oranjegors af te sluiten en abandonneerde in 1779 het mede voor rekening van het Nieuwland bij het Amersgat onderhouden sluisje.
DE ZEKKEN
Van de aanwassen van het Nieuwland heeft deze laatste, in de 17de en 18de eeuw opgekomen in de monding van de Maas als sequeel van de Beer, uiteindelijk wel een heel verrassende rol vervuld, die zijn aanvankelijk locale betekenis verre te buiten is gegaan. Het ontstaan van de Zekken, evenals dat van de andere grote op- en aanwassen in de Maas, hangt ten nauwste samen met de Sint Elisabethsvloed van 1421. Het is vooral de ingrijpende verandering in de loop der benedenrivieren tengevolge van deze ramp geweest, die van grote invloed is geweest op de verzanding en gorsvorming in de eens zo breede Maasmond. Zij bewerkstelligde dat het grootste deel van het water van Waal en Maas, dat aanvankelijk langs Vlaardingen en ‘s-Gravenzande stroomde, door meer zuidelijk gelegen zeegaten een uitweg zocht naar zee. Tengevolge van deze sterk verminderde toevoer van het rivierwater begonnen steeds meer platen in het oude Maasbekken op te komen (in 1634 tot een geheel bedijkt tot het eiland Rozenburg), waardoor tenslotte de breede zeearm tussen Maassluis en Den Briel tot twee betrekkelijk smalle nagenoeg evenwijdig aan elkaar lopende rivieren werd teruggebracht.
Dit artikel is overgenomen uit het Rotterdams Jaarboek 1960 en wel pagina 137-149, te vinden in het Rotterdams Stadsarchief.
