Ontploffing Poortershaven

ONDERZEEBOOT BEDOLVEN IN GEDEMPTE POORTERSHAVEN?

Een politierapport door H. de Jong
Met medewerking van Huib Hoogendonk (Hzn.)

De hoofdinspecteur van politie – korpschef in de gemeente Maassluis, de heer J. W. F. Dorleijn, heeft in 1976 in opdracht van de burgemeester een onderzoek laten instellen naar het waarheidsgehalte van een gerucht, als zou in de grond van de gedempte Poortershaven een onderzee­boot gevuld met torpedo’s bedolven liggen. Dit gerucht kreeg actualiteitswaarde, toen het besluit viel de bebouwing van de gemeente Maassluis tot -dicht inde buurt van Poortershaven uit te breiden. De Poortershaven, in en vlak voor de Tweede Wereldoorlog een onderkomen biedend aan een marine-etablissement, was gelegen op de oostelijke oever van de Nieuwe Water­ weg, tussen Maassluis en Hoek van Holland. Indien het gerucht juist bleek te zijn, zou immers een gevaarlijke situatie kunnen ontstaan voor de in de omgeving te bouwen woningen. De hoofdagent van gemeentepolitie, de heer H. de Jong, moest de zaak tot opheldering brengen en in dat kader de algemene situ­atie daar ter plaatse voor en in de oorlogsjaren nauwgezet re­ construeren. Zijn bevindingen heeft hij weergegeven in onder­ staand rapport, dat enigszins is aangepast aan het karakter van het boek, waarin het thans verschijnt.

De naam Poortershaven is ontleend aan het vooroorlogse daar gevestigde overslagbedrijf van Joost de Poorter, destijds kantoor houdende te Rotterdam. In 1938 verkocht De Poorter het bedrijf aan een te Rotterdam gevestigd havenbedrijf. Het complex Poortershaven ligt op grondgebied van de gemeente Rotterdam. De Poortershaven bestond vroeger uit een insteek­ haventje van ongeveer 350 m lengte en 30 m breedte. Het had een ongeveer 100 m brede verbinding met de Nieuwe Waterweg.  

In verband met de stromingen en de getijinvloeden slibde het haventje voortdurend dicht met zand en moest twee maal per jaar worden uitgebaggerd. De afscheiding tussen het haven­tje en de Nieuwe Waterweg bestond uit een soort pier, die over de gehele lengte aan de zijde van de Nieuwe Waterweg was voorzien van steigers. Bij het haventje stonden twee vrij grote loopkranen voor het lossen en laden van schepen. Tegen het einde van de exploitatie van het bedrijf heeft er gedurende een paar maanden nog een kleine torenkraan bij gestaan, welke later weer werd verwijderd.

Tussen het haventje en de ten oosten daarvan gelegen spoor­ baan Maassluis-Hoek van Holland heeft een blokje van 12 woningen gestaan, welke in 1935 door ruim 100 personen werden bewoond. Verder stonden daar een quarantainebarak, een krui­denierswinkeltje, een kantoortje en nog een of twee gebouwtjes. Even voorbij Poortershaven, in de richting Hoek van Holland, was aan de spoorbaan de blokpost nr. 16 gevestigd. Hier was een spoorweghalte die werd aangeduid als `halte Poortershaven’. De van deze blokpost deel uitmakende woning bestaat thans nog. De halte was door de Nederlandse Spoorwegen op verzoek van Joost de Poorter ten behoeve van diens bedrijf aangelegd. De voorwaarde was hierbij gesteld dat Joost de Poorter in geval van onrendabele exploitatie de tekorten moest aanzuiveren. Bleef hij in gebreke, dan zou de halte worden opgedoekt. De plaats waar het perron van de halte is geweest, is thans nog duidelijk herkenbaar aan twee portaalmasten. Een derde por­taalmast, die men aldaar kan zien, heeft geen deel uitgemaakt van de halte en is opgesteld om een door een bombardement vernield exemplaar te vervangen. De verbinding per spoor was noodzakelijk, omdat een volwaardige verbindingsweg naar Poortershaven ten enenmale ontbrak. De Schenkeldijk was niet verhard en had slechts een smal voetpad.

Verder was de Poortershaven alleen nog via het voet- of fietspad langs de spoor baan bereikbaar. Door middel van een keersluis in de spoordijk stond het haventje van Poortershaven in verbinding met de ten oosten van de spoorbaan gelegen vliet, Ammers Gat geheten. De sluis is naderhand opgeruimd, met uitzondering van de sluis­ deur aan de oostzijde van de spoordijk.

Ongeveer 300 m voorbij de blokpost – gezien vanuit Poor­tershaven — op een afstand van circa 200 m van de Nieuwe Waterweg, stond een quarantainebarak, die later is omgebouwd tot woonhuis. Hier heeft zo ongeveer vanaf 1915 de heer H. Hoogendonk gewoond, eerst met zijn ouders, later na zijn huwelijk met zijn gezin. Deze bleef daar wonen tot nagenoeg het einde van de oorlog in 1945 toe en was dus in staat een bijzonder waardevol getuigenis af te leggen.

Direct nadat Joost de Poorter het bedrijf Poortershaven had verkocht, werd het gehele complex overgedragen aan de Ko­ninklijke Marine, die het in gebruik nam en inrichtte als opslag­plaats voor zeemijnen. Daartoe werden twee stenen loodsen ge­bouwd, welke een afmeting hadden van respectievelijk 80 x 40 m en 22 x 40 m. Langs de noordelijke zijkant van de kleinste loods was een 2 m hoge en 40 m lange schervenwal opgewor­pen. Deze kleine loods, die bij een bombardement gedeeltelijk werd verwoest, maar later weer volledig is opgebouwd, bestaat thans nog steeds.

Anders is het gesteld met de grootste loods, waarvan alleen nog maar de betonnen vloer rest. Ter hoogte van deze loodsen had men voor het lossen en laden van vaar­ tuigen een ongeveer 70 m lange steiger in de Nieuwe Waterweg gebouwd. Ook deze steiger zal men thans tevergeefs zoeken. Wel zijn nu nog twee kleine betonnen schuilkelders aanwezig, die men dicht bij de tegenwoordige spoorwegovergang Schenkeldijk-Poortershaven heeft gebouwd. Nadat Poortershaven als mijnenopslagplaats in gereedheid was gekomen, heeft als enig Nederlands marineschip Harer Majesteits `De Ruyter’ de haven aangedaan en daar gedurende een paar dagen gelegen.

Al spoedig daarna vielen de Duitsers ons land binnen. En het duurde niet lang of de ‘Kriegsmarine’ nam Poortershaven als opslagplaats voor zeemijnen in gebruik. Het etablissement werd door de Duitsers uitgebreid met twee achter elkaar staande bunkers, welke beide een afmeting hadden van ongeveer 56 x 30 m. De muren waren 2 m dik, het pla­fond 3 m. Aan de einden van beide bunkers waren ingangen welke met een zware stalen deur werden afgesloten. Tevens kon de toegang aan beide einden door middel van een blok beton met een gewicht van wel 12 ton worden afgesloten. Dit beton­nen blok hing aan een boven de toegangen aangebracht takel­ werk. In de laagste stand, dus wanneer de toegang was afgesloten, rustte het blok in een aan de bunker gebouwde betonnen zitting. Gewoonlijk was de afsluiting door middel van de stalen deuren een adequate beveiliging, doch in geval van dreigend gevaar, zoals bij bombardementen, werden bovendien de beton­nen blokken neergelaten.

De Duitse marine bouwde ook nog drie uit bakstenen opgetrokken bunkers, die met een dikke laag aarde werden bedekt en vermoedelijk als schuilkelder dienst hebben gedaan. Deze waren gesitueerd op de walkant van de Nieuwe Waterweg, vlak bij el­kaar. Zij stonden evenwel niet met elkaar in verbinding, zoals staat aangegeven op een tekening van Rijkswaterstaat. Deze drie bunkers heeft men in het voorjaar van 1976 blootgelegd door er de aarde van af te graven. De beide bij deze schuilkelders behorende kleine bunkertjes zijn ook nog aanwezig.

Over de Schenkeldijk hebben de Duitsers een smalle weg aan­ gelegd, welke met motorvoertuigen bereden kon worden. In de twee grote bunkers werden in hoofdzaak magnetische en ander­ soortige zeemijnen opgeslagen, terwijl de grote, door de Nederlandse marine gebouwde loods als montagehal werd ingericht.

In het begin van de oorlog voerden geallieerde vliegtuigen zo nu en dan storingsbombardementen uit, waarbij telkens één of twee bommen werden neergeworpen, zonder overigens ooit doel te treffen. Voor het overige is Poortershaven door de geallieer­de vliegers gedurende vrijwel de gehele bezettingstijd met rust gelaten. Eerst in november 1944 vond opnieuw een bombardement plaats, waarop ik nog terugkom.

In het laatst van 1944 of het begin van 1945 werden in de als montagehal ingerichte loods eenmansduikboten, ook wel mini- of dwergonderzeeërs genoemd, gebouwd. Deze duikbootjes hadden een lengte van ongeveer 9 m en konden twee torpedo’s meenemen en lanceren. Deze torpedo’s waren aan weerszijden van de duikbootjes aan­ gebracht. De duikbootjes voeren boven water op een brandstof­ motor. Onder water kon worden overgeschakeld op electroaandrijving, welke gevoed werd door batterijen die door de brand­stofmotor tevoren waren opgeladen. Dank zij het feit dat dit type duikboot zich geluidloos verplaatste, kon het bijzonder ef­fectief tegen vijandelijke schepen worden ingezet. Vanuit Poor­tershaven hebben zij dan ook geallieerde schepen belaagd.

Als geheim wapen werden de bootjes tegen het einde van de oorlog door Hitler in de strijd geworpen. De onderdelen voor montage van de bootjes werden per spoor uit Duitsland aangevoerd. Spe­ciaal met het oog daarop hebben de Duitsers tussen de halte Poortershaven en het etablissement een spoorbaan aangelegd. Voornoemde heer Hoogendonk deelde mee, dat hij één of twee Duitse militaire wachtposten voor zijn woning kreeg, telkens wanneer een transport van deze onderdelen per trein binnen­ kwam en de trein naar het etablissement werd gerangeerd. Dan was het hem en zijn gezinsleden verboden de woning te verlaten of voor de ramen te staan aan de zijde met uitzicht op het eta­blissement. Op die manier dachten de Duitsers te voorkomen, dat er iets uitlekte van hetgeen zich op het etablissement af­ speelde. Toch konden de wachtposten niet verhinderen, dat de heer Hoogendonk zo nu en dan een spiedend oog op Poorters­ haven richtte. Ook heeft hij kunnen waarnemen, hoe Duitsers meerdere malen met dwergonderzeeërs de Nieuwe Waterweg op en neer voeren. De koepel was daarbij steeds boven water.

Zoals reeds hiervoor is meegedeeld was Poortershaven in november 1944 doelwit van een geallieerd bombardement. Het werd toen van een hoogte van ongeveer 500 m door bommen­ werpers bestookt. Hoewel enkele voltreffers werden geplaatst, had het bombardement niet genoeg destructieve kracht om het etablissement te vernietigen. Het dak van de grote, thans nog bestaande en als koelhuis ingerichte bunker, werd door een zware bom getroffen. De schade bleef beperkt tot een overigens vrij diep gat in het dak, dat na de oorlog, bij de inrichting van de bunker tot koelhuis, met zand dichtgegooid en vervolgens met een laagje beton is afgedekt. Bij dit bombardement werd ook de kleinste van de twee door de Nederlandse marine gebouwde loodsen gedeeltelijk vernield, zoals hierboven reeds werd vermeld. De andere grote bunker, liggend aan de kant van Hoek van Holland, is omstreeks zaterdag 27 februari 1945 geëxplodeerd. Dit gebeurde tijdens een zeer dichte mist.

Hoewel Poortershaven een streng geheim gehouden militair object was, had de bevol­king niettemin een vermoeden dat er munitie was opgeslagen. Door de enorme explosie werd dit vermoeden volkomen be­waarheid. De kracht van de explosie is zo groot geweest, dat het geluid ervan, ondanks de dichte mist, kilometers ver in de omtrek kon worden gehoord. Grote brokstukken beton werden meters ver weggeslingerd. Zo kwam een brokstuk van naar schatting 80 ton over de spoorbaan in de Oranjepolder terecht. Men heeft het aldaar enige jaren geleden in de bodem laten zakken, toen putten werden gegraven waarvan de aarde werd gebruikt om de Steendijkpolder in de gemeente Maassluis ge­deeltelijk op te hogen.

Het betonnen `gruis’, dat altijd nog uit brokstukken bestond met een doorsnee van zo’n 30 tot 40 cm, had zich over een oppervlakte verspreid met een straal van zeker een kilometer. Het was neergedaald op Rozenburg en de wakerdijk die tussen Waterweg en Maasdijk inligt. De gebou­wen en woningen welke deel hadden uitgemaakt van het bedrijf van Joost de Poorter werden, voor zover niet reeds door de Duitsers afgebroken, door de explosie met de grond gelijk gemaakt.

In Maasdijk sneuvelden vrijwel alle ruiten en overdekte een laagje betonstof de huizen. Oud-Maasdijkers konden zich nog herinneren, dat zij in het stof dat de explosie als een deken op de rijbaan van de Maasdijk had uitgespreid, hun naam zou­ den hebben kunnen schrijven, zo’n dikke laag was het wel. Uiteraard werd de (houten) woning van de heer Hoogendonk ook beschadigd en ging ook daar alles wat ruit was aan diggelen. De burgerij wist aanvankelijk niet wat er was gebeurd. Ten­ gevolge van de dichte mist had men niets kunnen waarnemen. De heer Hoogendonk, landbouwer-veehouder van beroep, deel­de mee dat hij zich op het moment van de explosie op zijn land in de Haakpolder onder Maasdijk had bevonden, ongeveer 1 km van Poortershaven verwijderd. Door de enorme druk was hij tegen de grond gesmakt. De volgende dag had hij, nadat hij had vernomen dat één der bunkers was geëxplodeerd, een Duitse militair van Poortershaven gevraagd wat er eigenlijk aan de hand was geweest. De soldaat had hem slechts ten antwoord gegeven: `Es ist schlimm, es it schlimm’ en zich vervolgens met een zwaar beschadigde fiets naar de spoorweghalte gespoed.

Het is nooit bekend geworden of er bij de explosie Duitse mi­litairen zijn omgekomen. Evenmin heeft men met zekerheid kunnen vaststellen, wat nu eigenlijk de oorzaak van de explosie is geweest. Volgens een inwoner van Maasland zou er een sabotagedaad van een Duitse militair aan ten grondslag hebben ge­ legen. Deze militair, Flietner geheten, Oostenrijker van origine, zou met de geallieerden contacten hebben onderhouden als dub­belspion. Ook zou hij betrokken zijn geweest, rechtstreeks of zijdelings, bij de bevoorrading van mijnen voor Poortershaven. Aldus zou hij in de gelegenheid zijn geweest één der 40 magne­tische zeemijnen, waarmee de bunker toen was bevoorraad, op scherp te stellen, hetzij op zijn eentje, hetzij met medewerking van anderen, waarna de explosie zou zijn gevolgd.

Dezelfde Flietner zou ook betrokken zijn geweest bij de aanslag op het leven van Hitler. Aangezien de Maaslandse zegsman staat aan­ geschreven als zeer betrouwbaar en bovendien zeer positief in zijn verklaring is, kan worden aangenomen dat zijn getuigenis op waarheid berust.

Wel doet er in Maasdijk en Maassluis nog een ander gerucht de ronde. Dit gerucht wil dat de explosie te wijten zou zijn geweest aan een foutieve handeling van de Duitse genie. De toe­ dracht zou ongeveer als volgt zijn geweest. Bij het geallieerde bombardement van november 1944 zouden de betonnen afsluit­ blokken voor de bunkeringang zijn neergelaten. Edoch, door het­ zelfde bombardement zou de hijsinstallatie onklaar zijn geraakt. Eén der afsluitblokken moest nu opgeblazen worden om een doorgang vrij te maken. Daarbij zou de Duitse genie één der dynamietpatronen verkeerd hebben aangebracht, met als gevolg dat deze patroon, toen de lading tot ontploffing werd gebracht, in de voorraad mijnen zou zijn terechtgekomen. Met het bekende resultaat.

Deze veronderstelling lijkt echter wel zeer onwaar­schijnlijk, gelet op de kundigheid van de Duitse genie, die, zo mogen wij aannemen, zich het grote risico van de operatie toch wel terdege zal hebben gerealiseerd. Bij het bombardement van november 1944 of ten gevolge van het exploderen van de bunker zijn op de havenkant staande kranen eveneens vernield. Volgens overlevering zou één der kra­nen op een in de haven gelegen, bemande duikboot terecht zijn gekomen en deze tot zinken hebben gebracht. Deze duikboot zou met torpedo’s geladen zijn geweest en tot op heden niet zijn geborgen en met de gevaarlijke lading nog in de grond moeten zitten van de haven, die inmiddels is gedempt.

Volgens het Bu­reau Maritieme Historie van het Ministerie van Defensie, Marine, moet zulks uitgesloten worden geacht: `Het is precies bekend hoeveel Duitse onderzeeboten er zijn gebouwd en wat er met elk van deze schepen is geschied. Er hebben trouwens tij­dens de tweede wereldoorlog nimmer onderzeeboten vanuit Nederlandse havens geageerd tegen de geallieerde scheepvaart. De enige mogelijkheid die overblijft is dat één van de zogenaamde dwergonderzeeboten, waarmede de Duitse marine tijdens de laatste maanden van de oorlog wel vanuit Nederlandse havens heeft geageerd, daar is gezonken’.

Nadere gegevens konden niet worden verstrekt.

Er is een indicatie dat er na de oorlog inderdaad een mini­ onderzeeër uit het water van Poortershaven naar boven is ge­haald. Als zodanig zou tenminste een verklaring kunnen gelden van iemand die employé is geweest bij het slopersbedrijf, dat vrij spoedig na Duitslands capitulatie de opruiming van het puin van Poortershaven ter hand heeft genomen. Deze persoon dan, heeft meegedeeld dat hij daar destijds een `ding’, dat op een eenmansduikboot leek, op de walkant had zien liggen. Vagelijk meende hij zich nog te herinneren dat er werd gezegd, dat het `ding’ uit het water was gelicht en dat men daarin toen het stoffelijk overschot van een mens had aangetroffen. Hij be­klemtoonde echter, dat dit slechts een vage herinnering was, waarvan de inhoud beslist niet als vaststaand mocht worden be­schouwd.

Een andere zegsman, die thans op het complex Poor­tershaven woont, verklaarde desgevraagd dat er bij opruimingswerkzaamheden, die hij daar ter plaatse heeft verricht ten behoeve van de vestiging van zijn bedrijf, geen enkele aanwijzing, hoe gering ook, is geweest, dat er een onderzeeboot of munitie in de haven zou zijn achtergebleven.

Samenvattend kan gesteld worden, dat het onderzoek genoeg­zaam heeft aangetoond, dat er inderdaad geen onderzeeboot of munitie onder de grond in de gedempte haven aanwezig is. Voorts is uit het onderzoek niet gebleken dat Poortershaven een onderzeebootbasis, voorzien van een ondergrondse opslag­ruimte heeft gehuisvest. Het staat evenwel vast dat vanuit deze haven mini-onderzeeërs hebben geopereerd. Het complex Poor­tershaven zal binnen afzienbare tijd in het kader van de Delta­ werken voor de aanleg van een dijk worden ontruimd en weg­ gebroken.  

Tenslotte zij hier nog geattendeerd op een manuscript van de heer C. Postma, aanwezig in Rotterdams gemeentearchief, van een artikel `Hoek van Holland 1940-1945` 2 ), waarin ook het een en ander over Poortershaven wordt verteld. Wij lezen daar even­ eens het relaas van een bombardement door Britse vliegtuigen van het Coastal Command op 2 oktober 1944 op een Duits tankstoomschip, `Wachtel’ geheten (992 brt), dat geladen met 2400 ton munitie in de Nieuwe Waterweg tussen Poortershaven en het Oranjekanaal lag. Het schip kreeg een voltreffer, waar­ mee zijn ondergang was bezegeld. Maar daarin sleepte het bijna een vliegtuig mee, want rondvliegende brokstukken afkomstig van het geëxplodeerde schip troffen een geallieerd toestel, dat juist in duikvlucht naar beneden gleed. Zwaar beschadigd moest het een noodlanding uitvoeren in de gemeente De Lier, nabij de grens met de gemeente Schipluiden.

Aanvulling door Jaco Vreugdenhil
Het betreffende vliegtuig heeft inderdaad een noodlanding gemaakt, en wel vlak naast de Oostbuurtseweg, tegenover Oostbuurtseweg 7 in De Lier. Vanaf De Lier staat nr 7 aan de linkerzijde. Aan de rechterzijde stonden toen houten palen met de bekende elektriciteitsleidingen met de witte isolatoren.
Het vliegtuig is vlak langs nr 7 en ónder de elektriciteitskabels doorgegaan. Het heeft met een vleugeltip een paal of de draad geraakt, want de bedrading die van de leidingen naar nr 7 liepen waren uit de gevel gerukt. Het vliegtuig heeft een geslaagde noodlanding gemaakt in het weiland, half in een sloot. De vlieger was (ogenschijnlijk) ongedeerd en wilde vluchten. Mensen van het verzet waren helaas te laat, de Duitsers waren er eerder en hij is krijgsgevangen gemaakt en meegenomen.
Mijn vader, die zelf op Oostbuurtseweg 14 woonde heeft e.e.a gezien en heeft dit zo aan mij verteld.

De `Wachtel’ verloor zestig van zijn bemanningsleden, terwijl, naar het schijnt, slechts drie mensenlevens werden gered. Over het lot van de Britse piloot ontbreken nadere berichten. In 1947 heeft de Mijnenopruim­dienst van de Koninklijke Marine mijnen opgeruimd uit het wrak van een schip liggend ter hoogte van Poortershaven, zoals wij kunnen lezen in het marineblad `Onze Vloot’ 3 ). Het was het wrak van de `Wachtel’.

 * Met medewerking van drs. R. H. Krans van de Gemeentelijke Archiefdienst te Rotterdam.


Gedempte haven

Een Duitse onderzeeër


De bron van al dit materiaal is inmiddels onduidelijk maar onder meer in ‘Ten Anker’ staat dit verhaal in elk geval nogmaals verwoord (Klik).